De buitendeur staat wagenwijd open. Daar, ik ga het halen. Tel de treden. Vier, drie, twee, één. Zit er iemand achter me aan? Een beveiliger? Niet omkijken. Niet nu. Ik werp mijzelf over de drempel, sprint de steeg in en ren naar links. Word ik gevolgd? Ze pakken je toch wel. Met een hart dat uit mijn borst knalt, kijk ik om. Vlak voor de hoek. Niemand. Glimmende straatklinkers, een uithangbord aan de gevel en een paar stoelen naast de ingang. Langs de muur staat een container. Ik verschuil me. Misschien moet ik niet vluchten. Misschien moet ik teruggaan. Ze pakken je toch wel.

Verdwaasd ontdek ik de leren handtas in mijn armen, vastgeklemd tegen mijn borst, een reddingsboei op het droge. Dit is mijn tas. Hoe kom ik aan mijn tas?

Ik wend mijn blik af en doe mijn ogen dicht.

Adem, Zilla. Adem.

Het gezicht van de visagiste komt weer op mij af. Haar lieve hoofd, met de zachte rimpels en de wippende knot op haar kruin. Zo voelde de druk van haar vingers op mijn bovenarm, de stevige grip waarmee ze me naar de trap begeleidde. Onder die brandende studiolichten vandaan, uit die vijandige arena omringd door camera’s die mij afleverden op alle schermen in Nederland. Hudson, de verslindende leeuw tegenover mij. Kapot, we moesten kapot van hem. Aan stukken geregen. Waarom?

Mijn tas, ze moet hem in mijn armen geduwd hebben voor ze me losliet.

‘Ga! Ga! De trap af, rennen!’

Wat als die dood is? Dood.

Mijn huid wordt koud, mijn speeksel zuur. Heb ik iemand op live televisie vermoord?

Adem Zilla, Adem.

Hoor ik sirenes? Volgens mij hoor ik sirenes. De politie voor mij? De ambulance voor hem?

O nee. Nee. Nee. Waarom deed ik dit?

Adem Zilla, Adem.

Met mijn ogen dicht komt het beeld steeds sneller terug. Ik voel het weer. Mijn vuist, de hitte van zijn kaak, het schuren tegen mijn knokkels. En ik zie het. De snelheid waarmee zijn hoofd naar achteren schoot.

Met een hand hou ik mijn tas vast, mijn rechterhand trilt, de knokkels gezwollen. Deed ik dat? Kan ik zo krachtig zijn dat een lichaam zo hard naar de grond zwiept? Dat geluid, de klap waarmee zijn hoofd de grond raakte. Volgens mij was het zijn schedel die als eerste contact maakte met de vloer.

Een golf van misselijkheid borrelt op.

Mijn hand glijdt over de bakstenen muur, mijn vingers zoeken houvast aan de randen van de oudbakken steentjes met diepliggende voegen. Bam, daar ga ik.

Mijn buikspieren lijken te krimpen en mijn lichaam klapt dubbel. Een golf breekt zich naar buiten, ruim over mijn vastgeklemde tas. Eén plas, één keer, dan is het stil in mij.

Langzaam kom ik overeind en druk mijn rug tegen de stenen. Overeind blijven. Overeind, anders hebben ze me zo te pakken. Wegwezen. Ik moet de brug over, oversteken, weg van het studioterrein, waar iedereen ons kapot…

Nog steeds sirenes. Dichterbij nu. Komen ze voor mij? Ze komen voor mij. De rug van mijn hand veegt eerst mijn tranen af, dan mijn mondhoeken. Mijn leven is voorbij.

Al lopend zoek ik op de tast naar mijn telefoon. Van onder tot boven staan groene berichtbalken op het scherm, ik negeer ze. Paul heeft twee keer gebeld.

Mijn moeders foto verschijnt. Ik druk haar weg. Meteen is ze er weer. Weg, weg, weg. Haar hoef ik nooit meer te spreken.

Pas bij het stoplicht heb ik mijn vingers genoeg onder controle. Hij neemt meteen op.

‘Zilla waar ben je? We zitten in De Gruyter.’ Het geraas van voorbijrijdende auto’s lijkt gedempt te worden door een wollen deken. Ik steek over. Ik beweeg sneller dan ooit tevoren, zonder enige moeite dragen mijn benen me vooruit. Gek.

‘Zilla?’